Schiphol mag haar eigen verhaal voor het voetlicht brengen in de rechtszaak tegen de Staat die is aangespannen door omwonenden van de luchthaven. Dat blijkt uit een tussentijds arrest van het Gerechtshof Den Haag. We leggen je graag uit hoe dit precies zit.
De rechtbank Den Haag deed in maart 2024 uitspraak in een rechtszaak tussen de Stichting Recht op Bescherming tegen Vlieghinder (RBV) en de Nederlandse Staat. Het oordeel was dat de overheid de belangen van omwonenden de afgelopen jaren onvoldoende heeft beschermd. De rechtbank heeft de Staat bevolen binnen 12 maanden de geldende wet- en regelgeving te handhaven en een vorm van rechtsbescherming in het leven te roepen die toegankelijk is voor alle mensen die ernstige geluidhinder en of slaapverstoring ondervinden.
De Staat ging vervolgens in hoger beroep tegen deze uitspraak. Hoewel Schiphol geen partij was in deze zaak, zijn we wel van mening dat de uitkomst ervan grote gevolgen kan hebben voor onze bedrijfsvoering. Daarom vroegen we in oktober 2024 om een zogeheten ‘tussenkomst’ in de hogerberoepsprocedure bij het Gerechtshof.
Het Gerechtshof heeft ons verzoek nu ingewilligd. Dit betekent dat we tijdens het hoger beroep de kans krijgen om mee te doen aan deze procedure. We kunnen dan bijvoorbeeld toelichten aan welke voorwaarden de uitspraak volgens ons moet voldoen om te komen tot duidelijkheid, zekerheid en praktische uitvoerbaarheid voor alle betrokkenen. Daarnaast kunnen we feitelijke vragen tijdens de procedure direct beantwoorden en zelf informatie aanleveren die voor de rechter relevant is om een beslissing te nemen.
Overigens heeft de Staat het Gerechtshof ook gevraagd om de door de rechtbank opgelegde bevelen te schorsen. Volgens het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is die deadline niet haalbaar omdat het vaststellen van nieuwe regels veel meer tijd kost. Hiervoor moet eerst de Balanced Approach-procedure worden doorlopen, waarover je hier en hier meer leest. Het Gerechtshof heeft dat verzoek niet ingewilligd, omdat RBV van tevoren al had laten weten dat zij het vonnis van de rechtbank niet zou uitvoeren. Daarmee is er volgens het Gerechtshof geen reden meer om zich inhoudelijk uit te spreken over het schorsingsverzoek. Feitelijk heeft dat onderdeel van uitspraak voor nu dus geen verdere gevolgen.